Home » Mijn Kennisbron - Personeel » Levensloop » Artikel
Levensloopregeling: fiscale voordelen
Door: KluwerBij de levensloopregeling spaart de werknemer een deel van zijn loon om hiermee in de toekomst een sabbatical te financieren. Over dit gespaarde loon zijn geen loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd. Die betaalt de werknemer wel bij opname van het geld. In wezen dus een belastinguitstel. Dit kan voordelig zijn. Om de levensloopregeling financieel (nog) aantrekkelijker te maken, zijn twee extra belastingkortingen in het leven geroepen. De levensloopverlofkorting en de ouderschapsverlofkorting.
1 Levensloopverlofkorting
De levensloopverlofkorting is een korting op de te betalen loonbelasting/premie volksverzekeringen. Het voordeel van deze belastingkorting krijgt de werknemer echter pas op het moment dat hij geld uit zijn levensloopregeling opneemt.
De levensloopverlofkorting in 2007 is € 188 (2006: € 185) per jaar dat de werknemer heeft gespaard op grond van de levensloopregeling. Jaren waarin is gespaard vóór 2006 op grond van de verlofspaarregeling, tellen niet mee.
De korting is aan een maximum gebonden: maximaal het in dat jaar opgenomen tegoed. Dus als de werknemer slechts € 100 euro in het betreffende jaar opneemt, is ook de levensloopverlofkorting slechts € 100. Mocht de werknemer bijvoorbeeld 15 jaar hebben gespaard in het kader van de levensloopregeling, dan heeft hij recht op 15 maal € 188. Het kan dus zo zijn dat minder wordt ingelegd in de levensloopregeling dan aan belastingvoordeel wordt verkregen. Het makkelijke van deze regel is dat de werkgever alleen moet bijhouden óf er in een jaar is gestort in de levensloopregeling, en niet hoeveel.
Het bedrag van € 188 wordt jaarlijks geïndexeerd met de zogenoemde tabelcorrectiefactor. Wellicht dat over 10 jaar deze korting bijvoorbeeld € 236 is. Dan heeft de werknemer als hij dan verlof opneemt, 10 * € 236 = € 2360 levensloopverlofkorting.
Voorbeeld
A spaart 10 jaar lang € 1000 euro in de levensloopregeling. Na 10 jaar is het levenslooptegoed € 10.800 (10 × 1000 + 800 rente). Hij neemt hiermee achttien weken sabbatical. De werkgever mag in dat kalenderjaar € 1880 (na indexatie is dit bedrag nog hoger) aan levensloopverlofkorting in mindering brengen op de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Kan de werknemer in het eerste jaar van opname voor verlof zijn opgebouwde levensloopkorting niet helemaal incasseren, omdat zijn totaal verschuldigde belasting (na eerst aftrek van de algemene- en arbeidsheffingskorting etc.) minder is, dan heeft hij een overschot aan levensloopkorting. Dit wordt naar een volgend jaar dat hij levensloopgeld opneemt, doorgeschoven.
De werkgever is degene die de levensloopverlofkorting moet effectueren door hiermee rekening te houden bij de inhouding van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het uitgekeerde verloftegoed (eventueel samen met normaal loon omdat deeltijdverlof wordt genoten). Dit is geen makkelijke klus. De werkgever moet hiervoor bijhouden hoeveel jaren de werknemer in de levensloopregeling heeft gespaard én of en zo ja, hoeveel de werknemer reeds heeft genoten van zijn opgebouwde levensloopverlofkorting. En wat nu als de werknemer al bij enkele voorgaande werkgevers heeft gespaard en eventueel daar al tijdens sabbaticals een deel van de opgebouwde levensloopverlofkorting heeft genoten? Hiermee moet de werkgever rekening houden. Op een of andere manier moet hij deze informatie krijgen.
Geen verlof, dan geen korting
De levensloopverlofkorting wordt echter alleen verleend als de werknemer ook daadwerkelijk met verlof gaat. Het wordt dus bijvoorbeeld niet verleend als het tegoed op verzoek van de werknemer vrijvalt bij het einde van de dienstbetrekking. Echter, de reeds opgebouwde levensloopverlofkorting blijft in de bovengenoemde situaties wel intact (het kan alleen niet worden gerealiseerd), en kan op een later moment worden genoten als de werknemer wel met verlof gaat.
Voorbeeld
A bouwt tien jaar een tegoed op via de levensloopregeling, en vervolgens zet hij het helemaal om in zijn pensioenregeling. Op dat moment komt hij niet in aanmerking voor de levensloopverlofkorting. Als A daarna nog vijf jaar opbouwt en dit tegoed in jaar 15 gebruikt voor zijn sabbatical, dan komt hij op dat moment in aanmerking voor levensloopverlofkorting die berekend is op 15 inlegjaren (met een maximum van het feitelijk opgenomen levenslooptegoed), want hij heeft 15 jaar opgebouwd ingevolge de levensloopregeling.
65-jarige leeftijd c.q. de pensioengerechtigde leeftijd
De enige 'vreemde eend in de bijt' is dat als het tegoed 'automatisch' vrijvalt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd (of zo eerder, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd), hierbij wel de opgebouwde levensloopverlofkorting te gelde kan worden gemaakt; ondanks dat deze 'vrijval' van het tegoed niets van doen heeft met verlof. Wellicht is dit zo geregeld omdat er na deze automatische vrijval geen herkansing meer is voor de werknemer om met verlof te gaan, en om dus de levensloopverlofkorting te gelde te maken.
Deeltijdpensioen
Gaat de werknemer met 'deeltijdpensioen' en gedeeltelijk met sabbatical (voor het deel van de sabbatical, blijft de dienstbetrekking in stand), dan heeft hij wel recht op de levensloopverlofkorting. Voor de levensloopverlofkorting is slechts van belang of de levensloopregeling wordt aangewend voor de financiering van loonvervanging tijdens een periode van onbetaald verlof. In dit geval is daarvan sprake. Dat er nog een deeltijdpensioen wordt ontvangen, doet niet ter zake. De totale levensloopverlofkorting die de werknemer kan genieten bedraagt niet meer dan de loonvervanging tijdens verlof die uit de levensloopregeling wordt opgenomen.
2 Ouderschapsverlofkorting
Op 1 januari 2006 verdwenen de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof en de financieringsregeling loopbaanonderbreking uit de Wet arbeid en zorg (finlo). De nieuwe financiële stimulans om ouderschapsverlof te stimuleren werd vanaf 2006 de zogenoemde ouderschapsverlofkorting. Dit zou eerst een tijdelijke faciliteit tot 2010 zijn, maar wordt nu toch een permanente regeling.
De fiscale tegemoetkoming bestaat uit een heffingskorting (d.w.z. een korting op de te betalen belasting) ter grootte van 50% van het voor de werknemer geldende bruto wettelijk minimumloon (WML) per opgenomen verlofdag. Bij een maand fulltime verlof komt dat in 2007 neer op een bedrag van circa € 650 belastingkorting. Echter, er zit een maximum aan de ouderschapsverlofkorting namelijk maximaal het verschil tussen het belastbare loon in het voorafgaande kalenderjaar en het belastbare loon in het huidige kalenderjaar . Bij een flinke salarisstijging blijft er dus niets over van de ouderschapsverlofkorting.
Om in aanmerking te komen voor de ouderschapsverlofkorting moet aan een drietal eisen worden voldaan :
- de werknemer moet gebruikmaken van zijn wettelijk recht op ouderschapsverlof. De hoofdregel hierbij is dat de werknemer voor maximaal 26 weken de arbeidsduur met 50% vermindert, maar
- werkgever en werknemer mogen hiervan afwijken, bijvoorbeeld een jaar lang de arbeidstijd met 25% verminderen.
- de werknemer moet in het desbetreffende kalenderjaar deelnemen aan de levensloopregeling. Dit betekent dat de werknemer in dat kalenderjaar een storting moet doen op grond van de levensloopregeling. Hoeveel, dat maakt niet uit. Dat mag ook slechts één euro zijn. Opname van het tegoed van de levensloopregeling of -verzekering is daarentegen niet vereist.
- werkgever en werknemer moeten een verklaring ondertekenen waarin staat dat de werknemer gebruikmaakt van het wettelijk recht op ouderschapsverlof en voor welke periode dit gebeurt.
Deze verklaring bevat de volgende gegevens:
- naam, adres en woonplaats van de werkgever;
- het loonheffingennummer van de werkgever;
- naam en sociaal-fiscaalnummer van de werknemer;
- de periode in het kalenderjaar waarin de werknemer gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof;
- het totaal aantal uren in het kalenderjaar waarin de werknemer gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof.
Let op: Mocht de werknemer ouderschapsverlof opnemen en daarbij deze ouderschapsverlofkorting incasseren, dan kan hij dus niet meedoen aan de spaarloonregeling. Immers, de levensloopregeling mag niet cumuleren met de spaarloonregeling. En aan de levensloopregeling moet hij meedoen om de ouderschapsverlofkorting te kunnen innen.
Hoe de korting incasseren?
De werknemer incasseert de ouderschapsverlofkorting ontvangen in de inkomstenbelasting, eventueel via een zogenoemde voorlopige teruggaaf, waarmee hij ook al belastinggeld terugkan krijgen in verband met bijvoorbeeld aftrekbare hypotheekrente giften, buitengewone uitgaven of het uitbetalen van de algemene heffingskorting voor de niet (of nauwelijks) werkende partner. Een andere, en laatste, mogelijkheid is om de ouderschapsverlofkorting na afloop van het jaar te incasseren door een aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting in te vullen. Het uitbetalen van de ouderschapsverlofkorting gaat derhalve volledig buiten de werkgever om. Mocht de belastingschuld van de werknemer te gering zijn om de ouderschapsverlofkorting te incasseren, dan mag de korting in mindering worden gebracht op de belastingschuld van de partner. Zie Levensloopverlofkorting voor uitleg over het fiscale partnerbegrip.
Lees meer over dit onderwerp
- Alles over levensloop
- Reglement voor de levensloopregeling
- Levensloopregeling: fiscale voordelen
- Levensloopregeling: maximale spaarbedragen
- Levensloopregeling: sparen voor extra verlof
- Extra pensioen via spaarloon- of...
- Levensloopregeling voor elke vorm van verlof
















